Klimaat

In december 2015 vonden in het kader van het United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) in Parijs belangrijke onderhandelingen plaats. Het Akkoord van Parijs is historisch omdat het gaat om het eerste bindende en wereldwijde klimaatakkoord.

Het ABC van het klimaatbeleid

Klimaatbeleid bevindt zich vaak op het snijvlak tussen wetenschappelijke bevindingen enerzijds en politiek en reglementering anderzijds. Om die reden wordt het door velen als complex ervaren. Daarom is het van belang om voorafgaand aan deze reflectieoefening een aantal basisbegrippen uit het ‘klimaatjargon’ te definiëren en de problematiek in een maatschappelijke context te situeren.   

Klimaat is kortweg gesteldhet gemiddelde weer over een langere periode’ en heeft een invloed op de ecosystemen (samenspel van micro-organismen, planten en dieren), de waterhuishouding (beschikbaarheid van zoetwater), de oceanen en de weerpatronen op korte termijn.

Klimaatverandering is een statistisch significante wijziging  in de gemiddelde toestand van het klimaat of in de variabiliteit ervan, en dit voor langere periode. Klimaatverandering  manifesteert zich het duidelijkst in een stijging of daling van de gemiddelde temperatuur, veranderingen van luchtstromingen en van de waterkringloop en het leidt tot frequentere extreme weerevenementen zoals stormen en overstromingen.  Verandering van het klimaat op de aarde vindt plaats als gevolg van natuurlijke oorzaken of door activiteiten van de mens. Sinds de industriële revolutie doet zich klimaatverandering voor die geografisch ongelijkmatig verdeeld is en die tot uiting komt in de waargenomen temperatuurstijging.

 

 

De rapporten van het wetenschappelijk VN klimaatpanel IPCC (cf. infra punt 2) komen tot de eensgezinde conclusie dat klimaatopwarming een feit is en dat deze ontwikkeling met een zeer grote mate van zekerheid (95%) kan worden toegeschreven aan menselijke activiteit. De klimaatopwarming is het gevolg van een hogere concentratie van broeikasgassen, die zelf in belangrijke mate het resultaat is van de uitstoot van koolstofdioxide (cf. tabel hierboven m.b.t. toename koolstofdioxide). Ook lachgas, methaan en gefluoreerde gassen zijn belangrijke broeikas-gassen in de atmosfeer. De uitstoot van broeikasgassen is in eerste instantie afhankelijk van energie, namelijk van energieproductie (in het bijzonder fossiele brandstoffen als steenkool, gas en aardolie) en energiegebruik in transport, industrie en woningen. Ook landbouwactiviteiten, cementproductie, industriële processen en menselijke gedragingen (verwarming woonst, huisafval, voedingspatronen) dragen bij tot de uitstoot van broeikasgassen. Ontbossing en wijzigingen in landgebruik leiden daarenboven tot een verminderde capaciteit tot de opslag van CO2 en dragen indirect bij tot klimaatwijziging.

De gevolgen van klimaatverandering zijn veelvuldig. De belangrijkste zijn (1) de stijging van de zeespiegel (zowel door expansie van watermoleculen door temperatuurstijging als door smelten van ijsmassa’s) met gevolgen voor laaggelegen kustgebieden en rivierdelta’s en de infrastructuur aldaar; (2) de verzuring van de oceanen en de aantasting van het mariene milieu; (3) de aantasting van ecosystemen; (4) de impact op de waterhuishouding en de beschikbaarheid van zoet water met gevolgen op het vlak van verwoestijning, landgebruik en landbouwproductie; (5) de impact op de gezondheid en de voeding en (6) de impact op de veiligheid. Bovendien hebben de gevolgen van klimaatverandering een onderling versterkend effect en beïnvloeden ze meer en meer het dagelijkse leven van de steeds groeiende wereldbevolking. Zo doet de stijging van de zeespiegel eilanden en laaggelegen kustgebieden verdwijnen en zorgen droogte en een tekort aan drinkbaar water en voedingsgewassen voor spanningen of versterken ze bestaande conflicten in grote delen van de wereld (Noord- en Centraal-Afrika, Midden-Oosten, Centraal-Azië, Indisch subcontinent…). Hierdoor draagt klimaatverandering bij tot de groter wordende gedwongen migratie en vluchtelingenstromen en tot nieuwe mogelijke geopolitieke spanningsvelden, bv. het Noordpoolgebied.

 

2°C- en 1,5°C-doelstelling: Zoals eerder aangegeven, is klimaatopwarming een feit. Het VN Klimaatverdrag uit 1992 voorzag reeds in de doelstelling om “de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarbij een gevaarlijke door de mens veroorzaakte interferentie met het klimaatsysteem wordt voorkomen”. Gedurende lange tijd werd deze kwalitatieve doelstelling niet gekwantificeerd. Onder meer de EU drong er van in het begin op aan om binnen het klimaatbeleid met een ‘2°C-doelstelling’ te werken. Dit houdt in dat de temperatuur op aarde met minder dan 2° C mag toenemen ten opzichte van de pre-industriële periode (2de helft van de 18e eeuw). Het IPCC heeft in zijn beoordelingsrapporten een verdere vertaling van deze doelstelling onderzocht. Een scenario met de stabilisering van de uitstoot op 450 PPM (deeltjes CO2 per miljoen deeltjes in atmosfeer) is met een relatief hoge waarschijnlijkheid voldoende om de 2°C-doelstelling te bereiken. Dit vergt een mondiale vermindering van de emissies met 50% tegen 2050. Voor ontwikkelde landen betekent dit een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 80 à 95% tegen 2050 (in vergelijking met 1990). De minst ontwikkelde landen en eilandstaten, van wie een aantal in hun bestaan worden bedreigd, stellen een strengere 1,5°C-doelstelling voorop. Dit houdt een nog sterkere vermindering van de uitstoot (concentratie van 350 PPM) in. In Cancun in 2010 werd de 2°C-doelstelling binnen de klimaatonderhandelingen algemeen aanvaard, waarbij ook scenario’s met de 1,5°C-doelstelling verder in rekening genomen zullen worden. In 2014 stelde het IPCC dat de 2°C-doelstelling enkel bereikt kan worden mits nieuwe structurele maatregelen. Anders dreigt de temperatuur 3 tot 5° C hoger te worden in vergelijking met het pre-industriële tijdperk.

Internationaal wettelijk kader en het IPCC als wetenschappelijk instrument

Tijdens de United Nations Conference on Environment and Development (UNCED) in Rio de Janeiro (1992) werd een akkoord bereikt over het United Nations Framework Convention on Climate Change. Dit UNFCCC is nog steeds de verdragsrechtelijke basis waarop het internationaal klimaatbeleid steunt en verder wordt onderhandeld. Het is een kaderverdrag dat afspraken bevat voor mitigatie  (dit zijn reductie-inspanningen voor uitstoot), adaptatie (de aanpassing aan klimaatbeleid), technologie, financiering en capaciteitsopbouw. Ook is een systeem van nationale rapporten en emissie-inventarissen voorzien. Een belangrijk uitgangspunt van het UNFCCC is ‘Common but Differentiated Responsibilities and Respective Capabilities’. Dit principe maakt een tweedeling tussen Annex I-landen (de OESO- en COMECON-leden anno 1990) en de niet-Annex I-landen (de andere landen). Onder het UNFCCC zijn het de Annex I-landen die inspanningen moeten leveren en de andere moeten ondersteunen in hun klimaatbeleid. Omdat het UNFCCC geen specifieke reductiedoelstellingen bevatte, was er een aanvullend protocol nodig. Op basis van het Berlin Mandate (1995) kwam in 1997 het Kyoto Protocol tot stand. Onder dit protocol nemen alle Annex I-landen kwantitatieve emissiereducties voor de periode 1990-2008/12. De individuele reductieprogramma’s zijn erg verschillend en in totaal gaat het om zowat 5 % uitstootvermindering ten opzichte van 1990. Ook stelt het Kyoto Protocol marktmechanismes ter beschikking voor het realiseren van reducties. Annex I-landen doen dit via projecten in ontwikkelingslanden (Clean Development Mechanism) of andere ontwikkelde landen (Joint Implementation) of door het verhandelen van toegewezen eenheden (Emission Trading). Niet-Annex I-landen kregen onder het Kyoto Protocol geen kwantitatieve reductiedoelstellingen opgelegd. Omdat het US Congress Kyoto niet ratificeerde, werd het quotum voor inwerkingtreding moeizaam bereikt zodat het tot 2005 duurde alvorens het van kracht werd.

In Durban (2011) werd naast de mogelijke verlenging van het Kyoto Protocol een Durban Platform of Action overeengekomen, waarbij het engagement werd aangegaan om (1) tegen 2015 een nieuw mondiaal klimaatakkoord te onderhandelen dat van toepassing zal worden op alle landen en vanaf 2020 in werking zal treden; en (2) in de periode tot 2020 te trachten de bestaande ambities te verhogen. Dit Durban Platform of Action vormt het mandaat voor de huidige onderhandelingen. De onderhandelingen in Doha (2012) stonden in het teken van mogelijke amendementen op het Kyoto Protocol, dit met het oog op een overgangsregime tot 2020 en in afwachting van een nieuw mondiaal akkoord. Dit ‘geamendeerd Kyoto Protocol’ bevat slechts emissiereducties voor 37 landen, waaronder de EU en zijn lidstaten. De conferentie van Warschau in 2013 besliste tot een stapsgewijze uitvoering van het Durban Platform of Action. Hierbij worden alle landen gevraagd om hun voorbereiding voor de eigen bijdrage aan het mondiale akkoord in Parijs tijdig op te starten en deze niet later dan het eerste kwartaal van 2015 in te dienen.  Ook werd vanaf de eerste sessie in 2014 gestart met de onderhandelingen over het definiëren van de elementen van het 2015-akkoord.

Het VN klimaatpanel IPCC (voluit ‘Intergovernmental Panel on Climate Change’) is een belangrijk instrument. Het werd in 1988 binnen de VN opgericht om de risico's van klimaatverandering te evalueren. Het panel dat bestaat uit honderden experten uit de academische, onderzoeks- en bedrijfswereld en de internationale civiele samenleving, verricht zelf geen onderzoek maar evalueert bestaande wetenschappelijke publicaties op basis van collegiale toetsing. De bevindingen van het IPCC zijn de meest gezaghebbende samenvatting van de actuele stand van zaken van het wetenschappelijk onderzoek inzake klimaat. In principe elke zes jaar publiceert het IPCC Assessment Reports met deelrapporten en aparte studies over specifieke thema’s zoals bv. hernieuwbare energie. In de loop van 2014 publiceerde het IPCC deelrapporten van het 5de Assessment Report dat in het najaar wordt verwacht. Een opvallende ontwikkeling is dat het IPCC het klimaatprobleem ‘politieker’ verwoordt. Het stelt namelijk dat “het voor 95% vast staat dat de klimaatwijziging en de daaruit volgende opwarming van de aarde te wijten is  aan de mens”. Hierdoor kan het debat met de ‘klimaatsceptici’ ‘geïsoleerd’ voortgaan en intussen verder gefocust worden op de onderhandelingen. Vermeldenswaard is dat België met professor Jean-Pascal van Ypersele momenteel een vice-voorzitter van het IPCC levert en dat het zijn kandidatuur als toekomstig voorzitter van IPCC (vanaf 2015) ten volle ondersteunt.

Het Europese en Belgische klimaatbeleid

Sedert jaren werpt de Europese Unie zich zowel intern als op internationaal vlak op als voortrekker in het klimaatbeleid. De basis voor de huidige politiek is het Klimaat- en energiepakket van 2008. Hierbij wil de EU tegemoet komen aan zowel de klimaatuitdagingen als aan de noden op het vlak van energiezekerheid en energie-efficiëntie van de Europese economie. De ‘20-20-20 doelstellingen’ houden in dat de EU tegen 2020 (1) de uitstoot van broeikasgassen met minstens 20% wil verminderen t.o.v. 1990; (2) de energie-efficiëntie met 20% wil verhogen; en (3) een aandeel van 20% hernieuwbare energie in de eigen energiemix heeft. Binnen het klimaatbeleid geldt het Europese emissiehandelssysteem (ETS) als een hoeksteen. Dit systeem houdt in dat industriële actoren zich moeten houden aan een vooraf toegewezen maximum aan emissie-kredieten maar dat zij de vrijheid hebben om deze onder elkaar te verhandelen (‘cap and trade’ systeem). Voor de inspanningen van de sectoren die niet onder het regime vallen (transport, woningen, … ) werd er onder de EU-lidstaten een lastenverdeling overeengekomen. België kreeg een reductiedoelstelling van -15% tegen 2020 (t.o.v. 2005) toegewezen. Binnen de EU zijn er nog tal van andere wettelijke instrumenten die o.m. de uitstoot van voertuigen en ecodesign-verplichtingen voor toestellen vastleggen.

Het Europees klimaatbeleid heeft tot resultaten geleid. Tussen 1990 en 2012 daalde de uitstoot van broeikas-gassen met 19% terwijl in dezelfde periode de economie met 45% groeide. Hierbij zijn de resultaten sinds 2008 deels beïnvloed door verminderde industriële productie ten gevolge van de financiële crisis. Ook nam in elke lidstaat de emissie-intensiviteit toe en werd een convergentie tussen de emissies van deze landen vastgesteld. Dankzij voortdurende innovatie zowel wat productie als processen betreft, had de industrie een groot aandeel in dit resultaat. Aandacht voor klimaatimpact wordt meer en meer een factor van concurrentievermogen.  

 

Tijdens de Europese Raad van Staats- en Regeringsleiders van 23-24 oktober 2014 werd het lang verwachte ‘klimaat- en energiepakket 2030’ goedgekeurd. Vanuit klimaatoogpunt zijn de voornaamste elementen: (1) een bindend streefcijfer van 40% reductie inzake broeikasgassen ten opzichte 1990, verdeeld tussen de industriële sectoren onder het Europese emissiehandelssysteem (ETS) en de niet-ETS- sectoren (landbouw, transport en gebouwen) te realiseren via nationale doelstellingen; (2) een emissie-reductie met 43% ten opzichte van 2005 vanwege het ETS; (3) een reductie met 30% tegen 2030 van de emissies van niet-ETS sectoren ten opzichte van 2005 (via nationale doelstellingen). Verder werd op EU-niveau een bindende doelstelling van minstens 27% hernieuwbare energie tegen 2030 en een indicatieve doelstelling van ten minste 27% energie-efficiëntie tegen 2020 vastgelegd, "te realiseren dankzij  de bijdragen van de lidstaten”. Tenslotte wees de Raad op het fundamentele belang van een functionerende en verbonden energiemarkt en gaf ze zijn fiat voor verdere acties om de energieafhankelijkheid van de EU te verminderen en haar energiezekerheid te vergroten, zowel voor elektriciteit als gas.

Institutioneel is het Belgisch klimaatbeleid een vrij ingewikkeld gebeuren: de bevoegdheden zijn verdeeld tussen gewesten en het federale niveau en er zijn meerdere beslissingsorganen en -processen. Nationale reductie-doelstellingen voor de sectoren die niet onder de Europese emissiehandel vallen dienen gerealiseerd te worden via een lastenverdeling tussen de verschillende overheden. Het betreft hier vooral mobiliteit, infrastructuur en huisvesting, landbouw en keuzes inzake de energiemix. Hiervoor, maar ook voor de verdere follow-up van de Nationaal Klimaatplan en voor de rapportering in het kader van het VN-Klimaatverdrag en het Kyotoprotocol werd op 14 november 2002 een  samenwerkingsakkoord afgesloten.  Met het oog op het vastleggen van Belgische posities bestaat er een fijnmazige taakverdeling tussen de overheden en afspraken tot samenwerking waarbij coördinatie-vergaderingen georganiseerd door de FOD Buitenlandse Zaken een cruciale rol spelen. Zowel de gewesten als het federale niveau beschikken over beleidsplannen en een uitgebreid pakket aan initiatieven inzake klimaatbeleid. Premies en fiscale voordelen voor de isolatie van woningen,  bevorderen van openbaar vervoer en autodelen of de uitbouw off-shore windenergie zijn maar enkele voorbeelden. Wat de realisatie van de klimaatdoelstellingen betreft, is België tot op heden eerder een matige leerling gebleken.

Belangrijk is ook dat klimaatbeleid deel uitmaakt van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Zo worden leef-milieu en klimaat op basis van de Wet over ontwikkelingssamenwerking op transversale wijze geïntegreerd in de samenwerking met onze partnerlanden. Ook is België relatief gezien een grote donor van multilaterale fondsen op het vlak van leefmilieu en klimaat (bv. 1,5 % van het  budget of € 17 miljoen/jaar voor het Global Environment Fund).

De Top van Parijs (COP 21, december 2015)

Klimaatonderhandelingen hebben de traditie moeizaam te zijn en vaak te resulteren in akkoorden die onder de vooropgestelde verwachtingen blijven. Dit valt te verklaren door het feit dat de inzet groot is en dat de gevolgen ervan wijzigingen van het energiebeleid en de economie in zijn geheel vergen. In essentie gaat het over de verdeling van inspanningen (wie neemt welke verantwoordelijkheid en wie betaalt ervoor?), dit in de wetenschap dat niets doen op termijn meer kost dan onmiddellijke actie.

 

Slotceremonie klimaattop in Parijs

Op de Klimaattop in Parijs zijn de deelnemende landen erin geslaagd om op 12 december 2015 tot een bindend en daardoor historisch akkoord te komen. De definitieve naam van het eerste wereldwijde klimaatakkoord ooit is 'Paris Agreement'. Het akkoord roept landen op om de stijging van de temperatuur te beperken tot 2 graden Celsius, met 1,5 graden als streefdoel. Er komt een transparant revisiemechanisme, de koolstofhandel wordt verfijnd en verder uitgewerkt, en de meest ontwikkelde landen worden verplicht om ontwikkelingslanden financieel te helpen. Het Akkoord van Parijs legt een bodem waarop gebouwd kan worden om de opwarming van de aarde te stoppen.

5 belangrijke doelstellingen akkoord van Parijs

In een 31 pagina’s tellend document lichten de gezanten van de Verenigde Naties toe wat ze concreet willen doen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Wat zijn de belangrijkste passages uit deze tekst?

1. Temperatuur en langetermijndoelstellingen

Het Akkoord van Parijs roept landen op om de stijging van de temperatuur te beperken tot 2 graden Celsius. Het streefdoel is echter 1,5 graden, een temperatuurstijging die belangrijk is voor de landen die het meest vatbaar zijn voor klimaatopwarming. Landen engageren zich om hun uitstoot ‘zo snel mogelijk’ te verminderen en zo een balans te vinden tussen uitstoot en opname van broeikasgassen.

‘Dat betekent dat er tegen de tweede helft van de eeuw netto een nuloperatie moet gebeurd zijn tussen de twee. De 2-gradenlimiet betekent dat er tegen 2050 de uitstoot zo’n 40 à 70 procent minder moet zijn ten opzichte van de uitstoot in 2010

2. Revisiemechanisme

Om ambitieuzere inspanningen mogelijk te maken, moeten landen de beloftes bijsturen die ze nu reeds gedaan hebben om vervuiling tegen te gaan tegen 2020. En zo’n herziening van die nationale klimaatplannen moet om de vijf jaar gebeuren. Deze passage is er omdat met de klimaatdoelen van de 186 landen die er nu reeds zijn in het beste geval een temperatuurstijging van 2,7 graden gerealiseerd zal worden. De landen die het Akkoord van Parijs ondertekenen zullen geregeld hun gezamenlijke vooruitgang analyseren. De eerste beoordeling van zo’n ‘wereldwijde inventarisatie’ komt er in 2023.

3. Koolstofmarkten

De overeenkomst voorziet in een ‘mechanisme om bij te dragen aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en de ondersteuning van duurzame ontwikkeling' en effent de weg voor vrijwillige samenwerking tussen landen om hun doelen te halen. Gedetailleerde regels voor dit marktmechanisme zullen op een latere datum worden vastgesteld. Het is een mechanisme dat landen moet toelaten om projecten en strategieën op tafel te leggen die duurzame ontwikkeling promoten. Het akkoord stelt heel duidelijk dat de kredieten die hiervoor voorzien worden, door een land enkel daarvoor gebruikt mogen worden.

4. Transparantie

De ondertekenaars hebben er mee ingestemd om een systeem te creëren dat emissiereducties bewaakt, meet en verifieert. Dit zal de nodige transparantie geven over wie welke inspanningen doet en informatie opleveren die gebruikt kan worden om de “achterbijvers” onder druk te zetten. Ontwikkelingslanden kregen enige flexibiliteit op een aantal van deze bepalingen, zoals de omvang, de frequentie en de mate van details over deze rapportering. Kleine eilandstaten en de minst ontwikkelde landen kregen lagere eisen.

5. Financiën

Het akkoord verplicht de meest ontwikkelde landen om ontwikkelingslanden te helpen met de kostprijs die gepaard gaat met het verminderen van uitstoot en de aanpassingen aan de gevolgen van klimaatopwarming. De onderhandelaars zijn overeengekomen om voor 2025 nieuwe doelstellingen af te spreken over de financiering van dit klimaatakkoord. Het eerstvolgende doel is om de 100 miljard dollar per jaar die voorzien was tegen 2020 omhoog te krikken.

 

Met dank aan:

Ulrik Lenaerts

Ministry for Foreign Affairs, Foreign Trade and Development Cooperation

M8 Sustainable Development and Climate Change Tel 32 2 501.43.74 Fax 32 2

501.37.13 Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

Leerplandoelen Lager onderwijs – Wereldoriëntatie

 

Wereldoriëntatie

Natuur

De leerlingen

1.6

kunnen illustreren dat de mens de aanwezigheid van organismen beïnvloedt;

1.11

kunnen de weerselementen op een bepaald moment en over een beperkte periode, meten, vergelijken en die weersituatie beschrijven;

1.12

kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven.

 

Milieu

De leerlingen

1.25

kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren dat aan milieuproblemen vaak tegengestelde belangen ten grondslag liggen;

1.26

tonen respect en zorg voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu.

 

Kerncomponenten van techniek

De leerlingen kunnen

2.17

 kunnen illustreren dat techniek en samenleving elkaar beïnvloeden;

2.18

 kunnenaan de hand van voorbeelden uit verschillende toepassingsgebieden van techniek    illustreren dat technische systemen nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kunnen zijn voor henzelf, voor anderen of voor natuur en milieu.

 

Algemene vaardigheden ruimte

De leerlingen

6.10

kunnen in een landschap gericht waarnemen en ze kunnen op een eenvoudige wijze onderzoeken waarom het er zo uitziet;

6.11

kunnen een atlas raadplegen en kunnen enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal.

 

VOET Secundair Onderwijs

Context 1: Lichamelijke gezondheid en veiligheid

De leerlingen

15

beseffen dat maatschappelijke fenomenen een impact hebben op veiligheid en gezondheid.

Context 4: Omgeving en duurzame ontwikkeling

De leerlingen:

2

herkennen in duurzaamheidsvraagstukken de verwevenheid tussen economische, sociale en ecologische aspecten en herkennen de invloed van techniek en beleid;

3

zoeken naar mogelijkheden om zelf duurzaam gebruik te maken van ruimte, grondstoffen, goederen, energie en vervoermiddelen;

4

zoeken naar duurzame oplossingen om de lokale en globale leefomgeving te beïnvloeden en te verbeteren;

5

tonen interesse en uiten hun appreciatie voor de natuur, het landschap en het cultureel erfgoed;

6

voelen de waarde aan van natuurbeleving en het genieten van de natuur.

 

Context 5: Politiek-juridische samenleving

De leerlingen:

12

tonen het belang aan van internationale organisaties en instellingen;

13

geven voorbeelden die duidelijk maken hoe de mondialisering voordelen, problemen en conflicten inhoudt.

 

Meest relevante websites

 

Videomateriaal