Internationale Burgerluchtvaart

Wat er zoal bij komt kijken voor je in het vliegtuig stapt.

 

Nu al meer dan honderd jaar geleden slaagden de broers Wilbur en Orville Wright, op een strand ergens in het zuiden van de Verenigde Staten, er voor het eerst in om een klein vliegtuig meer dan enkele minuten in de lucht te houden. Het was het begin van wat een letterlijk grensverleggende ontwikkeling bleek te zijn.

Grensoverschrijdend

Vooral in Europa, waar deze 'luchtvaartuigen' al gauw in staat bleken de overigens streng bewaakte nationale grenzen ongecontroleerd te passeren, werd de noodzaak van een regeling van de luchtvaart onderwerp van discussie. En zeker na de Eerste Wereldoorlog, waar gevechtsvliegtuigen voor het eerst een belangrijke rol hadden gespeeld, bleken internationale afspraken onontkoombaar.

In 1919 kwamen de belangrijkste landen in Parijs samen tot de conclusie dat ieder land het exclusieve gezag heeft over het eigen luchtruim. Dat wil zeggen dat in principe aan 'vreemde' vliegtuigen de toegang is ontzegd: die moeten daarvoor altijd eerst formeel de toestemming verkrijgen. Dit principe geldt nog altijd!

Daarom:

  • heeft ieder toestel een 'nationaliteit', met eigen 'kentekens' om het te kunnen identificeren;
  •  kunnen internationale vluchten alleen worden uitgevoerd nadat tussen het land van vertrek en het land van aankomst een speciale overeenkomst (verdrag) is afgesloten.

Naar internationale afspraken

Pas in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw kwam het internationale personen- en vrachtverkeer eigenlijk goed op gang. Het werd ook politiek (contacten tussen moederland en koloniën!) en economisch heel belangrijk.

Al tijdens de Tweede Wereldoorlog werd juist over dit economisch belang nagedacht en gesproken. In het kader van de gedachte, die trouwens ten grondslag ligt aan het idee van een 'Verenigde Naties', dat een duurzame wereldvrede alleen tot stand kan komen op grond van een vreedzame en loyale internationale samenwerking op allerlei gebieden van de internationale betrekkingen. Dus ook op het gebied van de burgerluchtvaart.

In 1944 kwamen de belangrijkste luchtvaartlanden in Montreal, Canada, bijeen. Zij spraken af:

  • om een organisatie voor de internationale burgerluchtvaart op te richten waarin zij van nu af aan de verschillende problemen en ontwikkelingen konden bespreken en regelen;
  • om elkaar wederkerig de toegang tot het luchtruim toe te staan, zonder verdere specifieke en formele vereisten, wanneer het gaat om het louter overvliegen van het grondgebied van een staat, zonder landing, of met een tussenlanding om louter technische redenen (tanken!) zonder het afleveren van passagiers of vracht;
  • dat het stelsel van voorafgaandelijke toestemming, en dus van speciale overeenkomsten, onverminderd bleef bestaan, maar alleen wanneer het gaat om het aan boord nemen, het vervoer en het afleveren van passagiers en vracht.

Intussen bestaan er vele honderden van dergelijke overeenkomsten, vaak tot stand gekomen na moeizame en harde onderhandelingen over landingsplaats, aantal vluchten, aantal passagiers, aantal tonnen vracht,...

Op deze manier kunnen ook de minder grote luchtvaartlanden, maar die belangrijk zijn als bestemmingsland, of waar veel vrachtvervoer wordt gegenereerd, hun rol spelen. Het luchtverkeer is inmiddels immers wereldwijd uitgegroeid tot een uiterst belangrijke economische activiteit.  Bijna alle landen (192) zijn dan ook lid van de ICAO.

Onderdeel van de Verenigde Naties

Het verdrag waarbij de Organisatie voor de Internationale Burgerluchtvaart (International Civil Aviation Organization, ICAO) werd opgericht verwijst expliciet naar een wereldvrede die afhankelijk is van de samenwerking tussen landen, en naar de woorden van het Handvest van de Verenigde Naties:

"Wij, de volken van de Verenigde Naties, vastbesloten komende geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog, die tweemaal in ons leven onnoemelijk leed over de mensheid heeft gebracht en.... sociale vooruitgang en hogere levensstandaarden in grotere vrijheid te bevorderen".

In 1948 werd de ICAO, als een van de 'Gespecialiseerde Organisaties', een onderdeel van de Verenigde Naties.

 

Een internationale reglementering is noodzakelijk en vanzelfsprekend!

Het spreekt vanzelf dat een doorgevoerde ordening van het luchtverkeer voor iedereen van belang is, en wel vooral voor de reiziger.

Het is immers niet voldoende dat je met een Belgisch toestel (grondig geïnspecteerd!) met een Belgische gezagvoerder (voortreffelijk opgeleid!) van op een Belgische luchthaven (uitgerust met de laatste voorzieningen!) vertrekt als je na enkele minuten al met lijf en leden afhankelijk bent van de manier waarop in een ander land wordt omgesprongen met de nodige veiligheidsmaatregelen, van de communicatie met de verkeersleiding ter plaatse, van de weersomstandigheden, en van de situatie bij de luchthaven van aankomst, ook als die gelegen is in een Derde Wereldland dat misschien niet beschikt over de middelen om een en ander correct te laten verlopen.

Daarom worden door de ICAO vooral ook technische regels opgesteld, die (dit is heel bijzonder!) overal tegelijk van kracht worden en die door alle landen en door hun luchtvaartmaatschappijen dienen te worden nageleefd. Daarbij gaat het over uniforme minimale regels voor de opleiding van piloten, de controle op de luchtwaardigheid van vliegtuigen, de uitrusting van luchthavens.

Maar ook over uniforme weerberichten, uniforme landkaarten, uniforme verkeers -landings- en taxiregels. En over uniforme normen voor lawaaihinder en schade aan het milieu.

En tenslotte over afspraken over wat er moet gebeuren als een vliegtuig in moeilijkheden verkeert, of is neergestort: wie is verantwoordelijk, wie leidt het onderzoek, wie heeft toegang tot de plaats van het ongeluk...

Maar wie controleert uiteindelijk de naleving van de regels van de ICAO?

Helaas: hier hebben we eens te meer te maken met de zwakheid van elke vorm van internationale reglementering: in principe is controle onmogelijk zonder de loyale medewerking van ieder land.

Het is de nationale overheid die in de eerste plaats instaat voor de strikte naleving van alle voorschriften betreffende de internationale burgerluchtvaart. Zij voorziet in de nodige nationale wetgeving en in de controle op de naleving daarvan.

Als een land daarbij in gebreke blijft is het in ieders belang om dat aan alle andere landen, dus aan de ICAO, bekend te maken. Maar in principe kan die geen sancties opleggen.

Wel kan ze op alle mogelijk manieren technische bijstand verlenen aan landen die de nodige middelen en knowhow niet in huis hebben. Het spreekt vanzelf dat die hulp rechtstreeks in het belang is van alle andere luchtvaartlanden, van hun vliegtuigen en van hun passagiers. 

Daarnaast horen we wel eens dat piloten weigeren te landen op een luchthaven waarvan zij weten dat de uitrusting niet voldoet aan de internationale veiligheidsvereisten.

Of lezen we in de krant dat een land weigert om op de nationale luchthavens toestellen te laten landen of vertrekken die duidelijk niet voldoen aan de meest elementaire voorschriften van luchtwaardigheid. Dan is er al gauw verbetering!

Welbegrepen eigenbelang maakt overigens dat deze toestanden toch eerder tot de uitzonderingen behoren.

 

De Verenigde Naties zijn niet weg te denken uit de internationale betrekkingen.

Laten we, als we de volgende keer vertrekken voor een citytrip, of het vliegtuig nemen om op vakantie te gaan, eens om ons heen kijken en ons verbazen over de duizenden radertjes in het internationale systeem die dit allemaal mogelijk en veilig maken.

Eens te meer moeten we het toegeven:

"De Verenigde Naties? We kunnen geen dag zonder!"

Met dank aan Prof. dr. em.  Neri Sybesma - Knol

 

Leerplandoelen Lager onderwijs – Wereldoriëntatie

Techniek als menselijke activiteit

2.10     De leerlingen kunnen bepalen aan welke vereisten het technisch systeem dat ze willen gebruiken of realiseren, moet voldoen.

Techniek en samenleving

2.17     De leerlingen kunnen illustreren dat techniek en samenleving elkaar beïnvloeden. 

Politieke en juridische verschijnselen

4.15.    De leerlingen kunnen illustreren op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen.

Historische tijd

5.8.    De leerlingen kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.

Algemene vaardigheden ruimte

6.11.  De leerlingen kunnen een atlas raadplegen en kunnen enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal. 

VOET Secundair onderwijs 

De leerlingen ….

context 1: lichamelijke gezondheid en veiligheid 

15. beseffen dat maatschappelijke fenomenen een impact hebben op veiligheid en gezondheid.

context 4: omgeving en duurzame ontwikkeling 

2. herkennen in duurzaamheidsvraagstukken de verwevenheid tussen economische, sociale en ecologische aspecten en herkennen de invloed van techniek en beleid. 

context 5: politiek-juridische samenleving

10. illustreren hoe een democratisch beleid het algemeen belang nastreeft en rekening houdt met ideeën, standpunten en belangen van verschillende betrokkenen;

12. tonen het belang aan van internationale organisaties en instellingen;

13. geven voorbeelden die duidelijk maken hoe  de mondialisering voordelen, problemen en conflicten inhoudt.

context 7: socioculturele samenleving

3. illustreren het belang van sociale samenhang en solidariteit.

 

Relevante links

naar de VN

Naar andere organisaties of instellingen

Naar Lesmateriaal